Columnist Eline hekelt de vraag: 'Waar kom je écht vandaan?'

Eline over haar ervaringen met micro-agressies

nina ricci  backstage   paris fashion week womenswear fallwinter 20172018
Lorenzo PalizzoloGetty Images

Eline Cordie (34) was de afgelopen vijftien jaar onder andere go-go danseres, suikerspinverkoopster en mislukt fotomodel. Nu schrijft ze elke week voor Glamour over alles wat haar bezighoudt.

Micro-agressies

Als Indo - oftewel de dochter van een Indonesische vader en een Nederlandse moeder - heb ik redelijk wat ervaring met micro-agressies. Zo werd ik toen ik nog als model werkte regelmatig gestyled als Harajuku girl of kreeg ik een kimono aan, onder het motto: Japan en Indonesië zijn één pot nat, want allebei Aziatisch. IJzeren logica. Van de boeker bij een modellenbureau kreeg ik eens de opmerking dat ik heus potentie had als model maar, helaas pindakaas, ze hadden al een Aziaat in het bestand. En 150 witte meisjes met blauwe ogen, maar daar kun je er kennelijk nooit genoeg van hebben. En dan was er nog de man die me rond de kerstperiode vroeg hoe “we” eigenlijk kerst vierden. Aanvankelijk begreep ik hem niet (“gewoon met een kerstboom en een vreetfestijn, hoezo?”). Toen begon het me te dagen dat hij in Indonesië bedoelde, waar ik in totaal één keer in mijn leven ben geweest. Om er vanaf te zijn heb ik maar gezegd dat we elk jaar zes geiten offeren en daarna rond een groot vreugdevuur dansen. Naakt. Met dat antwoord leek hij tevreden.

This content is imported from {embed-name}. You may be able to find the same content in another format, or you may be able to find more information, at their web site.

"Wat bén jij?"

Ik heb me lang gevoeld alsof ik geen recht van spreken heb als het om alledaags racisme gaat. Ik heb een relatief lichte huid en heb daar, naast andere privileges, mijn hele leven van kunnen profiteren. Mijn achternaam is Indonesisch maar klinkt niet zo. Ik besef me heel goed dat als ik een “buitenlands” klinkende naam had gehad, het voor mij misschien lastiger was geweest om te solliciteren. Of dat ik in elk geval nóg vaker gevraagd werd waar ik vandaan kom. Of de lompere variant: “wat bén jij?” Als ik dan antwoord dat ik uit Amsterdam kom volgt meestal de vraag: “Néé, waar kom je écht vandaan?” Ik snap best wel dat mensen hiermee geen slechte bedoelingen hebben. Maar toch is de vraag - of liever: de manier waarop hij wordt gesteld - niet onschuldig.

Zien: Clarice Gargard over acceptatie en de wereld verbeteren

Het zit hem in het woordje “echt”: het impliceert dat je in de ogen van de persoon die de vraag stelt niet volwaardig Nederlands bent en er dus niet bij hoort, ook al ben je - zoals ik - hier geboren. Wit zijn is, of men zich daar nu wel of niet bewust van is, in Nederland nog steeds de gouden standaard. (Pro tip: als je het echt zo graag wilt weten kun je beter vragen waar mijn voorouders of familie vandaan komen. Dan vertel ik het je met alle liefde).

Overdreven

Er zijn mensen, ook die van kleur, die het allemaal maar overdreven vinden om van al deze dingen een punt te maken. Maar als je per ongeluk op iemands teen staat en diegene zegt “au”, dan maak je excuses en doe je het daarna nooit meer. Je zegt niet: “wat zeik je nou, ik heb je toch niet neergestoken?” Dat het niet je bedoeling is geweest iemand op z’n tenen te trappen, of dat jijzelf in je leven ook zo vaak op je tenen wordt getrapt, is irrelevant. Het feit dat jij er geen punt van maakt zou je niet ervan moeten weerhouden om mensen te respecteren die zich er wél aan storen.

"Het impliceert dat je in de ogen van de persoon niet volwaardig Nederlands bent"

Het gaat erom dat we ons bewuster worden van ons taalgebruik en de racistische achtergrond ervan. Woorden doen er wel degelijk toe: soms kunnen we eraan aflezen wie erbij horen en wie we uitsluiten. Tijden veranderen en sommige uitdrukkingen zijn simpelweg achterhaald. Zoals de oorspronkelijke definitie van de term ‘halfbloed’, die zelfs ik tot voor kort achteloos gebruikte. Namelijk: “slechts voor de helft zuiver of edel (lees: wit) bloed in de aderen hebbende.” Of de uitdrukking “Oost-Indisch doof”, waarvan de oorsprong in ons koloniale verleden ligt, toen Oost-Indische vorsten net deden of ze de opdrachten van westerse regeringsambtenaren niet begrepen. Die malle inboorlingen wilden niet luisteren. Zo zie je maar. Als we ervoor open staan valt er voor ons allemaal nog veel te leren

This content is created and maintained by a third party, and imported onto this page to help users provide their email addresses. You may be able to find more information about this and similar content at piano.io
Advertentie - Lees hieronder verder
Meer van Talking Points