Melissa Rooi-van Embricqs (32) zoekt haar broer Donavan. Die raakte vorig jaar op 23 mei vermist, toen de ervaren piloot met een collega in Suriname verdween tijdens een vlucht met zijn helikopter.

“Binnenkort wordt Donavan’s enige kind 1 jaar. Ik wil geloven dat hij daarbij is. Met ballonnen en taart voor mijn neefje. Mijn broer veranderde compleet toen hij vorig jaar vader werd. Die ogen. Wanneer hij over zijn kind praatte, straalden die zoals ik nooit eerder had gezien. Donavan belde me soms via Skype en vroeg dan wanneer de eerste tandjes eigenlijk komen en hoe oud ze zijn als ze gaan kruipen en lopen. ‘Jij bent daar toch expert in,’ zei hij dan. Hij was een lieve vader. Ik had niet anders verwacht.

Advertentie - Lees hieronder verder

Donavan was vroeger als een soort vader voor mij. We schelen acht jaar, ik keek tegen hem op. Als klein meisje kroop ik wel eens bij hem in bed. Dan had ik stiekem een enge film gekeken en durfde niet te slapen. Mijn moeder had me gewaarschuwd, dus bij haar durfde ik niet aan te kloppen. Ik vond het heerlijk, zo dicht bij mijn grote broer. Met hem in de buurt voelde ik me veilig. Dat is nooit veranderd. Iedere zondag kwam ons hele gezin samen bij mijn moeder. Daar waren we niet op visite, het voelde als thuis. We praatten over alles en soms over niks. Er was altijd veel eten, daar zorgde mijn moeder wel voor. Donavan was de gangmaker. Hij vertelde moppen, had grote verhalen, die ik niet altijd geloofde. Een feestje zonder hem was niet compleet. Toen hij zes jaar geleden naar Suriname verhuisde, was ik daar stuk van. Hij kon er helikopterpiloot worden, een jongensdroom natuurlijk, en dat gunde ik hem. Ik vroeg hem niet om te blijven, dat zou egoïstisch van me zijn geweest. Bovendien; Donavan deed altijd wat Donavan wilde. Ieder jaar met de feestdagen kwam hij naar Nederland. Daar keek iedereen naar uit. Af en toe verraste hij ons met een onaangekondigd bezoekje. Dan stond hij op een doordeweekse middag opeens midden in mijn woonkamer. Ik begon te springen en te gillen van schrik en blijdschap tegelijk. Dat vond hij heerlijk om te zien. Dat we zo gek op hem waren.’

“Hoe moeten wij nu door met ons leven?”



Geen nieuws
‘Op 24 mei hoorde ik van mijn oudere zus Lucille dat Donavan de avond ervoor niet thuis was gekomen. Zijn vriendin Naomi liet haar dat vanuit Suriname weten. Echt zorgen maakte zij zich toen nog niet, dus wij ook niet. Vliegen met slecht weer gebeurde wel vaker, dan landde hij ergens en wachtte tot het beter werd. Maar 24 uur later was hij nog niet gevonden. Ook zijn collega Noy, waar hij mee vloog, was vermist. Ik sliep die eerste nacht amper. Ik liet mijn telefoon aan en keek bij ieder piepje. Het was junkmail of een onzinnige Facebook-melding. De hele nacht geen nieuws uit Suriname.

De volgende ochtend was ik om 6 uur wakker, al weet ik niet of ik überhaupt echt geslapen heb. Ik hing wat op de bank, in een stoel, in de tuin, weer op de bank. De tijd kroop voorbij en we hoorden niks. Toen ben ik in de auto naar mijn zus Lucille gestapt. Ik wilde bij haar zijn als er nieuws kwam. Zo doen wij dingen, altijd samen. We zaten naast elkaar op de bank en dronken thee. Nog een bakkie dan maar. Volgens mij hebben we nergens anders over gepraat dan over Donavan. Mijn hoofd was te vol van om aan iets anders te denken. ‘Wat nu als het nog langer duurt?’ vroeg mijn zus opeens. ‘Gaan we er dan heen?’ Mijn zus is de nuchtere van ons twee. Ik had nog aan geen ander scenario gedacht dan dat we vandaag goed nieuws zouden krijgen. Ja, erheen, natuurlijk. Natuurlijk gaan we er dan heen! Vier dagen na zijn verdwijning stonden we met het hele gezin op Schiphol.’

Geen berichtjes
‘Pas toen de wielen los waren van de grond, zette ik mijn telefoon uit. Het voelde niet goed om onbereikbaar te zijn. Ik dacht steeds: als ik ‘m na de vlucht aanzet, is er vast een berichtje of een gemist gesprek. Maar toen ik na negen uur vliegen mijn telefoon weer aanzette, kwam er niets binnen. Misschien staat de vrouw die ons op de luchthaven opwacht, straks wel met haar handen in de lucht te zwaaien. ‘Het is goed, het is goed.’ Maar dat deed ze niet. In een uur reden we vanaf de luchthaven naar Donavan’s huis. Normaal gesproken vielen de mooie kleuren van Suriname me altijd op. Nu vond ik alles grauw. Ik huilde zachtjes, ik huilde harder toen ik Donavan’s vriendin Naomi vasthield en hun zoontje zag. Wat was hij groot geworden. De tranen waren ook voor hem. Omdat zijn vader weg was.

Ik sliep in één kamer met mijn broertje en moeder. Elke avond ging ik verdrietig slapen, elke ochtend stond ik op met nieuwe hoop. Al waren we afhankelijk van de zoekacties van anderen, van de politie en piloten. Zelf zoeken kon niet. Als je de jungle niet kent, verdwaal je zeker. Op momenten dat ik het echt niet meer zag zitten, dacht ik vaak aan een verhaal dat ik eerder op internet las. Over een vrouw die neerstortte met een vliegtuig en weken had overleefd op het eten van alleen kokosnoten. Als zij het kon, kan mijn grote, stoere broer dat ook.’

Ze verlaten
‘Na een paar weken werd het moeilijk om positief te blijven. We zaten zo op elkaars lip. De hele dag door zag ik de tranen van de anderen. Ik probeerde sterk te blijven, maar natuurlijk gleed ik mee in dat verdriet. De tijd voelde als een soort brei van dagen en nachten die in elkaar over gingen. We zouden eigenlijk twee weken blijven, toen die voorbij waren zonder nieuws, verzetten we onze vlucht met een week. Nog geen nieuws, weer een week. Na een maand zonder enig teken van leven, gingen we terug naar huis. Het kon niet anders, er moest weer gewerkt worden, we hadden gezinnen om voor te zorgen.

Weggaan verscheurde mijn hart. Het voelde alsof ik mijn broer opgaf. Ook liet ik Naomi achter, en mijn ouders, die nog langer bleven. Het liefst had ik alles bij elkaar geschreeuwd, van puur verdriet en van onmacht, maar ik hield me in. Ik wilde het niet nog moeilijker maken voor iedereen. We zetten onze spullen in de auto en reden na veel knuffels en kussen weg. Ik zie mijn moeder nog huilend achter onze auto aanlopen, een beeld dat ik nooit meer vergeet. Mijn eigen verdriet en dat van anderen werd me teveel. En ik wist niet hoe ik dat moest uiten. Huilen alleen was niet genoeg. Het voelde alsof mijn lichaam het gewoon niet aankon. Nog steeds niet. We zijn nu een kleine maand terug. Donavan en Noy zijn inmiddels negen weken vermist. Ik doe de was, ik verzorg mijn kinderen, ik spreek af met familie en vrienden. Het leven gaat door en toch staat het tegelijkertijd stil. Zonder mijn broer is niets hetzelfde. Het voelt leeg en incompleet. Echte vreugde is er niet.’

"Misschien zijn ze bij de helikopter blijven wachten, hopend dat iemand ze vindt en redt"



Rond dwalen
‘Soms zit ik in de auto, onderweg van hot naar her, en hoor ik opeens een liedje uit de jaren ‘80. Een liedje waar we vroeger samen op door de woonkamer dansten. Michael Jackson ofzo. Zijn mijn kinderen erbij, dan slik ik mijn verdriet weg. Voor hen moet ik sterk zijn. Ben ik alleen of met mijn man, dan laat ik mijn tranen komen. Soms doet het pijn om aan hem te denken, andere keren voelt het juist fijn. Het is niet voor niets dat ik nu de fotoalbums van mijn jeugd aan het inplakken ben. Ik stuit vaak op foto’s van Donavan. Op een verjaardag of een feestje, altijd het middelpunt van de aandacht. Dan voelt hij weer zo dichtbij, alsof hij ieder moment binnen kan wandelen. Dat troost me.

Andere mensen zeggen: het duurt te lang. Hij is er niet meer. Ik niet. Ik geloof dat Donavan nog leeft. Hij is slim, hij kent de jungle een beetje. Ik denk dat het slechte weer hem overviel en dat hij moest landden. Misschien zijn ze bij de helikopter blijven wachten, hopend dat iemand ze vindt en redt. Of ze zijn gaan lopen. Langs de rivier naar de bewoonde wereld. De rivier volgt hij ook wanneer hij vliegt. Voor het slapen gaan denk ik daar vaak aan. Dat ze daar samen rond dwalen. Dat doet zo’n zeer. Wat moet hij bang zijn. Dan wil ik zo graag mijn hand uitsteken en hem helpen. Ze beide terug leiden naar hun families die zo van ze houdt en ze zo vreselijk missen. Ik ben niet bang voor nieuws. Mijn zus wel, die zegt: ‘Nu kan ik nog hopen. Als ze hem vinden en hij leeft niet meer, is het voorbij.’ In mijn gedachten is dat geen optie. Donavan is niet dood. Punt. Hij leeft en we gaan hem weer zien. Hoe moeten wij anders door met leven? Dat kan niet. Wij, mijn twee broers en twee zussen en ik, we zijn een eenheid. Als er een ontbreekt is die eenheid kapot. Dat mag nooit gebeuren.’