Nietsvermoedend nam Claudette (36) negen jaar geleden de telefoon op. Het was haar moeder, met een vreselijke boodschap: haar broer was dood. Vermoord, door schoffies op straat. Er gaat sindsdien geen dag voorbij dat ze er níet mee bezig is.

“26 januari 2006. Ik had een vriendin op bezoek in Singapore, waar ik op dat moment woonde. We hadden net sushi gegeten en dronken met een aantal mensen een drankje in een café aan Orchard Road. We hadden het over mijn broer, die mijn vriendin ook kende. Ik keek even in mijn telefoon of ik misschien een berichtje van hem had gekregen. Dat had ik niet, maar wel een van mijn moeder. Ik moest haar bellen. Ik liep naar buiten, Orchard Road op, en belde haar. ‘Claudette,’ zei ze, ‘Robert is dood.’ Ik zakte letterlijk door mijn knieën. Alsof de grond onder me wegviel. ‘Hoe kan dat nou?’ hoorde ik mezelf zeggen. En ook: ‘Hoe dan?”’

‘Ik vind het nog steeds erg dat we niet weten wat zijn laatste woorden waren’



Twaalf messteken
“Robert woonde op dat moment in het Zwitserse Genève, een van de veiligste steden ter wereld. Hij had een goede baan bij Caterpillar (bedrijf dat zware machines bouwt voor weg- en waterbouw, red.). De avond ervoor was hij uit eten geweest met een vriendin. Toen hij rond kwart over elf naar huis liep, werd hij overvallen. De overvallers, van Braziliaanse en Marokkaanse afkomst, wilden geld voor drank en drugs. Maar hij had niets bij zich, alleen zijn bankpas.

Het werd een vechtpartij op straat en de Braziliaan trok een vlindermes. Robert kreeg twaalf messteken in zijn jas en een in zijn linkerzij. De hartstreek. Die messteek was fataal. Een vrouw die hem een paar minuten later vond, bleef bij hem en belde het noodnummer. Hij zei nog iets. Waarschijnlijk in het Nederlands, want de vrouw verstond hem niet. Dat vind ik nog steeds zo erg, dat we niet weten wat zijn laatste woorden waren. Hij is in haar armen overleden. Ik heb een foto van hem gezien, liggend op de stenen. Hij droeg dezelfde blouse als op zijn Facebookfoto. De ambulance was er heel snel bij, maar ze konden niets meer doen. Robert werd doodverklaard, om zeven minuten na middernacht. Hij was 34 jaar. Ik kon het niet bevatten. Na het telefoontje met mijn moeder ben ik als in een roes weer naar binnen gegaan. Daar zag ik mezelf in de spiegel aan de achterwand van het café heen en weer lopen.”

Advertentie - Lees hieronder verder

In shock
“‘Claudette, wat is er?’ vroeg mijn vriendin. Het kwam er niet uit, ik kon niets zeggen. Ze trok me mee het toilet in. Het was alsof ik op slot zat. Mijn mond ging open, maar er kwam geen geluid. Pas na vijf minuten zei ik: ‘Robert is dood.’ Maar huilen kon ik niet. Het was alsof het allemaal niet echt was. Ik was in shock. Er kwam een sms binnen van mijn vader, hij vertelde wat er was gebeurd. Robert was niet op komen dagen in Caïro, waar hij voor werk naartoe moest. De politie was naar zijn werk toegekomen, een van zijn vrienden daar moest hem identificeren. Daarna kwam de Nederlandse politie bij mijn ouders aan de deur om te vertellen dat Robert dood was. De daders waren gepakt.

Menno, mijn man, zat op dat moment in een vliegtuig van Japan naar Dubai. Ik ging naar het huis van een vriendin, ik wilde niet thuis zijn als Menno daar niet was. Toen ben ik mensen gaan bellen. Roberts vrienden. Zijn corpsgenoten uit Delft. Ik vond dat ik dat moest doen, voelde me daar gek genoeg verantwoordelijk voor. Die avond heb ik ook het nummer van Robert uit mijn telefoon verwijderd, want ik was bang dat ik het misschien per ongeluk zou bellen. Menno kwam thuis. Hij was er kapot van. Robert was zijn zwager, maar óók al heel lang een goede vriend. Ikzelf functioneerde op dat moment nauwelijks. Ik zei maar steeds: ‘Ik ga wel naar Nederland als ik me beter voel.’ Menno regelde vliegtickets en twee dagen later zaten we in het vliegtuig op weg naar huis.”

‘Het leven gaat door, zei Robert altijd. Daar probeerde ik me aan vast te houden'



Terug naar het leven
“Pas na een week kwam Robert thuis. Als iemand in het buitenland overlijdt, wordt het lichaam niet zomaar vrijgegeven. Zeker niet als het om een misdrijf gaat. En niet elke luchtvaartmaatschappij vervoert dode lichamen op elke vlucht. Er was een hoop te regelen. Ik zag hem in zijn kist liggen en dacht: wat hebben ze met je gedaan? Toen was hij al elf dagen dood. Hij was hard en stijf en zat onder de blauwe plekken. Op zijn slaap zat een wond. Ik heb hem nog wel aangeraakt, om afscheid te nemen. Er kwamen enorm veel mensen naar de crematie. Bloemen waren vanuit de hele wereld verstuurd. Saoedi-Arabië. Genève. Amerika. Koeweit. Zimbabwe. Robert had een netwerk van over de hele wereld. De mensen van het corps droegen de kist. Zijn vrienden spraken. Het was heel indrukwekkend allemaal, maar leek tegelijkertijd niet waar. Ik probeerde te huilen, maar het ging niet. Het was zo onwerkelijk. Toen was het voorbij en moest het gewone leven weer beginnen.

Het leven gaat door, zei Robert zelf altijd als er iets ergs gebeurde. Daar probeerde ik me maar aan vast te houden, dat hij dat zo had gewild. Dus terug naar Singapore. Terug naar mijn werk. Terug naar het leven. Ik stopte het zo goed mogelijk weg. Maar het bleef door mijn hoofd spoken. Waarom? Waarom? Waarom? Die woorden kwamen steeds bij me naar boven. En ook de daders hielden me bezig. Robert was zo’n positief, goed mens. Waarom steek je niet iemand dood die net zo slecht is als jij? In de maanden na Roberts overlijden werd duidelijk wat het met ons gezin deed dat hij er niet meer was. We waren altijd heel close geweest, mijn ouders, broer, zus en ik. Nu was er een hap uit het geheel. Iedereen verwerkte Roberts dood op zijn eigen manier, en daar hadden we elkaar niet voor nodig. Ik miste hem enorm. Ik had altijd veel contact met hem gehad. Ik was zijn kleine zusje, hij mijn grote voorbeeld. Hij wist altijd alles beter, wist precies hoe dingen moesten. Hij was een goede leerling, knap, populair. Hij wilde naar het buitenland en dat deed ’ie ook. Hij zette het leven op een geweldige manier naar zijn hand. Ik wilde dat ook allemaal: slim zijn, een goede baan in het buitenland hebben, een goed salaris. Via Robert leerde ik, toen hij in Dubai werkte, mijn man Menno kennen. Mijn man, mijn leven: alles om me heen herinnerde me aan Robert.”

‘Bij de dader merkte je geen schaamte, geen spijt: niets’



Schlemielige daders
“Waar ik ook maar aan bleef denken, was de rechtszaak die eraan zat te komen. De daders hadden pro-deo-advocaten, die het accent vooral legden op het feit dat het zielige jongens waren die zo’n slechte jeugd hadden gehad. Marouf en Dagiar heten ze. Ook van die dingen die je niet vergeet. Uiteindelijk duurde het twee jaar voordat het proces plaatsvond. De rechter bood ons zijn verontschuldigingen aan voor het lange wachten. Waarom dat zo was, werd ons nooit duidelijk. We merkten wel dat er rondom de daders meer zaken speelden. Het was niet de eerste keer dat ze met justitie in aanraking kwamen. Wij waren als familie bij het proces aanwezig. We hoopten meer te horen over wat er die avond was gebeurd, maar we waren er ook omdat mijn vader en ik getuigden wat voor man Robert was. Dat hij geen agressieveling was. Want daar probeerde de verdediging het op te gooien, dat het Roberts eigen schuld was. Hij had zich kennelijk verdedigd met judo, want daar was hij goed in. Maar judo is een verdedigingssport, geen aanvalssport.

De daders waren twee schlemielige jongens. Vooral de Braziliaan, degene die gestoken had. Bij hem merkte je geen schaamte, geen spijt: niets. Zijn moeder, een heroïneverslaafde, kwam te laat. De vader van de Marokkaan bood ons zijn excuses aan, maar ik dacht: laat je zoon dat zelf doen! In de pauze stond Marouf vlak bij ons. Dat is toch raar? Je staat daar met al je verdriet en degene die dat heeft veroorzaakt, is gewoon in dezelfde ruimte als jij. Ik dacht: was jij maar dood, en niet mijn broer. Hij staarde ons continu recht aan. Een duidelijke provocatie. Dus keek ik terug. ‘Niet doen, Claudette,’ zei mijn moeder. ‘Geen oogcontact met deze mensen.’ Ik had me altijd afgevraagd wat ik zou doen als ik de daders zou zien. Zou ik ze aanvliegen? Zou ik schelden? Met ze willen praten? Maar ik deed niets, behalve het niet begrijpen. Beseffen ze wel wat ze hebben aangericht? vraag ik me vaak af. Een liefdevol gezin uit elkaar gescheurd. Om een beetje drank en drugs. Om niks.”

Hap uit m’n leven
“Het is nu negen jaar geleden en ik denk nog elke dag aan Robert. Huilen kon ik pas na anderhalf jaar, pas toen besefte ik echt wat er was gebeurd. Het brein werkt anders dan bij een wondje op je arm; dat is na een paar weken genezen. Roberts overlijden kwam zo plotseling, ik heb jaren nodig gehad om het te verwerken.Nu huil ik nog steeds regelmatig als ik aan hem denk. In de tijd na Roberts dood kreeg ik enorm veel steun en begrip. Mensen voelden met me mee, ik kon mijn verhaal doen. Maar ook dat is eindig. Ik merk steeds vaker dat mensen denken: hou er nu eens over op. Een vriendin zei het laatst letterlijk: ‘Claudette: stop crying!’ En dat wil ik ook wel, stoppen met huilen. Doorgaan met leven, zoals Robert zelf zou willen. Maar ik heb nog zo’n pijn, nog zo’n verdriet om hem. Ik mis hem zo erg, dat kunnen mensen zich niet voorstellen. Er is een hap uit mijn leven, en dat komt nooit meer goed.”