Het had heel anders kunnen aflopen voor Stephanie-Joy (28). Slecht, vooral. Mede door haar handicaps ontspoorde ze als tiener. Ze gebruikte drugs en werd dakloos. Maar ze knokte zich eruit en bouwde een normaal bestaan op.‘Bang voor een terugval ben ik niet. Ik ben té verliefd op het leven.’

“Jarenlang vond ik het afschuwelijk om naar mijn spiegelbeeld te kijken. Ik zag altijd die twee grote gehoorapparaten, een lang litteken op mijn rug, littekens op m’n rechterheup en -bovenbeen, krassen op mijn arm, een verminkte voet. Mijn spiegelbeeld herinnert me altijd weer aan een tijd waarin ik niet goed voor mezelf zorgde. En uiteindelijk zelfs een destructief leven leidde als dakloze drugsverslaafde.

Jarenlang kon ik niet goed uit de voeten met mijn gebreken, mijn handicaps. Voor mij stonden ze gelijk aan zwakte. Pas nu weet ik dat je gebreken de dingen zijn die jou juist sterk maken. Omdat je vaak nét iets harder je best moet doen om dingen te bereiken. Nooit gedacht dat ik dit nog eens zou zeggen, mijn handicaps zou omarmen. Sowieso is het een klein wonder dat ik zo goed uit die duistere periode ben gekomen. En tegenwoordig compleet anders in het leven sta. Ik ben sterker, positiever. Gelukkiger ook.”

‘Mijn littekens herinneren me aan de tijd dat ik niet goed in mijn vel zat’



Zwaar ongeluk
“Mijn jeugd was niet makkelijk. Ik was een jaar of drie toen ik door een verwaarloosde oorontsteking slechthorend werd. Ik praatte net even anders, had moeite om gesprekken te volgen. Als kleuter kreeg ik al twee grote gehoorapparaten aangemeten. Daardoor hoorde ik wel wat beter, maar nog steeds niet optimaal. Op mijn zesde kreeg ik een zwaar ongeluk waarbij ik mijn voet verbrijzelde. Ik kwam uit school en zou aan de overkant van de straat wachten tot een van mijn ouders me kwam ophalen. Op de dag van het ongeluk dacht ik: ik ben al zo groot, ik kan dit wel alleen. Blijkbaar niet dus. Ergens halverwege de weg ben ik geschept door een auto die veel te hard reed. Ik herinner me flarden van de momenten daarna. Hoe ik probeerde op handen en voeten weg te kruipen. Hoe ik werd tegengehouden en mijn vader met een theedoek een slagader in mijn been dichtkneep. Dat deed pijn, dus riep ik dat hij daarmee moest ophouden.”

‘In ons gezin zat iedereen op zijn eigen eiland’



Licht ontvlambaar
“Ik lag weken in het ziekenhuis. Mijn voet was verbrijzeld, mijn scheenbeen was ongelukkig op twee plaatsen gebroken. In het begin was het zelfs de vraag of ik mijn been wel kon behouden. Ik kreeg een ijzeren geraamte waarin mijn voet op slot stond en moest naar de fysiotherapeut. Uiteindelijk kon ik naar huis. Mijn ouders hadden het er moeilijk mee dat hun dochter nu dubbel gehandicapt was. Er was sowieso spanning in huis. Door het ongeluk hadden we met z’n allen een flink trauma opgelopen. Te groot om zelf te verwerken. In ons gezin zat iedereen op zijn eigen eiland. Mijn moeder was overbezorgd, wat een verstikkende werking op mij had. Mijn vader sliep slecht, had nachtmerries van het ongeluk en overdag was hij daardoor licht ontvlambaar. Als ik iets niet direct hoorde – wat regelmatig voorkwam – frustreerde hem dat en werd hij kwaad. En mijn broertje had ADHD en daardoor extra zorg nodig. Psychische hulp is mij of mijn ouders nooit aangeboden. We moesten het alleen doen. Dus hadden mijn ouders zoiets van: schouders eronder en door.”

Schaamte & wanhoop
“In het begin lukte mij dat aardig. Maar in de puberteit, een periode waarin je toch naar jezelf gaat kijken, kwamen de vragen. Ik kreeg een afkeer van mijn eigen lichaam. Mijn voet die niet op een voet leek, mijn gehoorapparaten. Ik kon niet accepteren dat het dingen waren die bij me hoorden en nooit meer zouden weggaan. Dat ik daarmee moest leren leven, maakte me doodongelukkig. Ik schaamde me voor mijn eigen lijf. En wilde er tegelijkertijd ook over praten. Ik wilde weten wat er precies met mij was gebeurd, wie me had aangereden, of hij spijt had... Mijn ouders waren blij dat ze het ongeluk eindelijk zelf een plek hadden gegeven. En konden en wilden het onderwerp niet opnieuw oprakelen. Wat hen betreft was dit hoofdstuk afgesloten, terwijl ik er juist over wilde blijven praten.Ik voelde me onbegrepen. Wanhopig ook. Ik kon nu nergens terecht met mijn vragen. Op school werd ik dwars. Vaak gooide ik mijn boterhammen weg en hongerde ik mezelf uit. Ook ging ik mezelf snijden. Automutilatie. Geen idee waarom. In elk geval zorgde het voor afleiding. Zolang ik bezig was met het verzorgen en camoufleren van mijn wonden, hoefde ik niet aan mijn andere problemen te denken. In die tijd ben ik mezelf gaan isoleren. Vooral in de weekenden als we naar de camping gingen. Ik weigerde met de andere kinderen te zwemmen en lol te maken. Uit schaamde voor mijn lichaam. In plaats daarvan trok ik me terug met een boek. Doodongelukkig.”

Afkoelingsperiode
“Mijn ouders en de leraren op school maakten zich zorgen. Ze schakelden het Jeugdriagg in voor een assertiviteitstraining. Dat was niet wat ik nodig had. Ik ging me er niet beter door voelen. Op een gegeven moment kocht ik wat doosjes paracetamol die ik verstopte op mijn slaapkamer. Ik had bedacht dat als ik die pillen zou slikken, ik van alles af was. Natuurlijk vond mijn moeder de medicijnen. Ze was boos, bezorgd ook dat ik mezelf wat wilde aandoen. In paniek ben ik toen weggelopen. Ik was veertien jaar. Mijn ouders vertelden later dat ze doodsangsten hadden uitgestaan. Ze waren bang dat ik linea recta naar het spoor was gelopen. Mijn ouders besloten me tijdelijk uit huis te laten plaatsen. Een afkoelingsperiode. Maar toen ik het eerste weekend thuiskwam, had ik geen kamer meer. Die was in beslag genomen door mijn broertje. Ik moest voortaan op de logeerkamer. Bij mij hakte het ‘niet meer hebben van een eigen kamer’ erin. Het stond gelijk aan niet meer welkom zijn in je eigen huis, bij je eigen ouders. Waarschijnlijk was het niet zo bedoeld en dacht mijn moeder heel praktisch, maar bij mij viel het helemaal verkeerd.”

‘Ik wilde naar school, een baan, een huis, maar had geen idee waar te beginnen’



Een normaal leven
“Uit pure frustratie ging ik me nog meer afzetten tegen alles en iedereen. De tijdelijke opvang werd een plek in het hulpverleningstraject. Ik kwam in een leefgroep terecht met allemaal jongeren. Hier begon mijn leven in instellingen pas echt. Therapie, medicijnen, de regels, het kwam allemaal op me af. Ik was eenzaam, alleen, voelde me rot. Dus trok ik automatisch naar de andere jongeren. Mijn lotgenoten. Sommigen hadden een totaal andere achtergrond. Ze rookten, blowden. En ik deed mee. Daarnaast bleef ik mezelf pijn doen en uithongeren. En ondertussen ging ik van het ene opvanghuis naar het andere. Op mijn zeventiende probeerde ik cocaïne en speed. Al na één shot voelde ik me geweldig. Met dat spul kon ik de wereld aan. Ik raakte verslaafd en was niet langer te hanteren in de opvang. Ik was niet meer welkom: op mijn achttiende werd ik dakloos en belandde op straat. Het waren lege dagen waarin ik alleen maar bezig was met drugs scoren of sterke drank. Om warm te worden, ging ik naar de dagopvang voor een kop koffie. Daarna moest ik de kou weer in. Ik zie mezelf nog zitten in het park tussen andere junkies en alcoholisten. Zwaar onder invloed. Iedereen die voorbijliep, had het gemaakt in mijn ogen. Leefde een normaal leven. Ik wilde ook bij die andere wereld horen. Ook naar school, ook een baan en een huis. Maar ik had geen idee waar ik moest beginnen. Het was voor mij iets onbereikbaars op dat moment. Dus ging ik maar weer naar de koffieshop voor een nieuwe joint. Om de pijn te verdoven van mijn onvermogen om dingen te veranderen.”

‘Op het dieptepunt van mijn verslaving stal ik vijftig euro uit de portemonnee van mijn moeder’



Dieptepunt
“In die periode dacht ik veel na over de zin van mijn leven. Wat als ik zo doorging? Dan haalde ik de dertig niet. Op het dieptepunt van mijn verslaving, stal ik vijftig euro uit de portemonnee van mijn moeder die ik af en toe nog zag. Ik had het nodig om drugs te kopen, maar voelde me er zo slecht door. Zo was ik niet opgevoed. Mijn geweten speelde op. Dat was misschien wel mijn redding. Het was zo’n moment waarop je helemaal klaar bent met jezelf. Klaar bent met het leven dat je leidt. Via een vriend kwam ik terecht in een afkickkliniek. Geen reguliere, maar eentje die geleid werd door een vrouw die zelf ooit in het wereldje had gezeten als verslaafde. Ik voelde me er meteen begrepen, veilig, welkom, thuis. Heel langzaam ging de knop in mijn hoofd om. Af en toe verviel ik toen nog in mijn oude patroon. Maar ik bouwde langzaamaan ook een netwerk op van ‘normale’ vrienden. Ik ging weer regelmatig naar mijn ouders, haalde het contact aan met een oud buurmeisje en wat klasgenoten en probeerde een gewoon dag- en nachtritme aan te houden.”

‘Ik was betekenisvol. Ik realiseerde me dat ik iets wilde betekenen voor andere mensen'



Leren omgaan met emoties
“In die tijd woonde ik nog wel steeds in opvangcentra en instellingen. Via een vriendin mocht ik mee op zendingsreis naar Roemenië. Zij deed daar vrijwilligerswerk in een Roma-dorp. Daar stond ik dan zonder diploma’s, zonder geld, zonder mooie kleren. Maar vreemd genoeg alleen al door er te zijn en de kinderen vast te houden, met ze te spelen, bood ik ze iets. Was ik betekenisvol. Dát raakte me. Ik realiseerde me dat ik ondanks mijn eigen sores, van betekenis wilde zijn voor andere mensen. Ik moest hier iets mee en was vastberaden het afkicken vol te houden. Tja, en als die knop eenmaal om is, kun je het afkicken ook volhouden. Clean blijven is een groter probleem. Omdat je niks meer hebt waarin je kunt vluchten. Voorheen, als iets tegenzat, verdoofde ik mezelf met drugs. Nu moest ik het op andere manieren oplossen. Ik moest leren omgaan met emoties, tegenslag en teleurstellingen. Erover praten, schrijven, het vervelende gevoel even parkeren of domweg accepteren dat het leven soms niet gaat zoals je wilt. Voor iemand die nauwelijks heeft geleerd hoe dat moet, is dat ingewikkeld. Als ik destijds – in mijn puberteit en misschien ook wel direct na het ongeluk – duidelijke handvatten had gekregen hoe ik moest omgaan met mijn ‘verlies’, was alles misschien anders gelopen. Nu leerde ik het met vallen en opstaan.”

Dit ben ik
“Ondertussen ben ik alweer zes jaar clean. Ik heb een eigen huis, een relatie en zit in het derde jaar hbo maatschappelijk werk. Het gaat heel goed met me. Ik ben gelukkig en ik werk in de hulpverlening. Ik heb een baan bij het Leger des Heils in Amsterdam. Mijn missie is anderen helpen. Omdat ik weet dat het ongelooflijk veel kracht kost om een verslaving te overwinnen of je uit een dakloze situatie te ontworstelen. Ik ben absoluut niet bang dat ik ooit zal terugvallen. Je weet pas echt hoe sterk je bent, als sterk zijn je enige keuze is. Bovendien ben ik té verliefd op het leven. Ik reis tegenwoordig graag. Ben al in Jordanië, Cuba en Indonesië geweest. Mijn lichaam heb ik inmiddels geaccepteerd zoals het is. Met huid uit mijn bovenbeen, een rugspier en bot uit mijn heupen creëerden de artsen toch iets dat voor een voet kon doorgaan. Natuurlijk baal ik af en toe dat er geen enkele behandeling mogelijk is die mijn littekens kan uitwissen. Er is geen huidspecialist die me kan garanderen dat ze verdwijnen. En toch, ik verstop ze ook niet langer. Er was een tijd dat ik met lange mouwen rondliep om alles te verbergen. Maar dat doe ik niet meer. Dit is wie ik ben. Take it, or leave it.”


Advertentie - Lees hieronder verder