Advertentie - Lees hieronder verder

Eerst was daar het ongeluk van haar broertje. En toen ze zeventien was, overleden kort na elkaar haar vader en moeder. De muur die Emma (30) daarna om zich heen bouwde, moest steen voor steen worden afgebroken. “Ik put troost uit de herinneringen.”

Emma:“De decembermaand was bij ons thuis altijd één groot feest. Mijn moeder tuigde de kerstboom op en versierde alle kamers. En ondertussen stond mijn vader in de keuken de lekkerste gerechten te koken. Ik ruik nog de geur van de dennenboom en het kerstbrood in de oven. Als het dan donker werd, staken we de kaarsjes aan.

‘Als kind merkte ik er niets van dat mijn ouders een groot verdriet met zich meedroegen’



Het is nog altijd vreemd om het hardop te zeggen, maar het gezin waarin ik ben opgegroeid bestaat niet meer. Ik ben wees. Ik was drie jaar oud toen mijn broertje een ongeluk kreeg samen met mijn moeder en nichtje. Ze werden over het hoofd gezien door een graafmachine en zijn met fiets en al geschept. Mijn broer, net zes, was op slag dood. Mijn nichtje mankeerde wonderwel niets en mijn moeder werd zwaargewond met een ambulance naar het ziekenhuis afgevoerd. Daar hielden ze haar in coma.

Het zag er slecht uit, de artsen geloofden niet dat ze ooit nog zou kunnen lopen. Maar haar vechtersmentaliteit zorgde ervoor dat ze binnen een paar jaar weer helemaal de oude werd. Een kind verliezen, is het ergste wat je als ouder kan overkomen. Toch heb ik er vroeger nauwelijks iets van gemerkt dat mijn vader en moeder zo’n groot verdriet met zich meedroegen. Natuurlijk heb ik mijn moeder wel eens huilend aangetroffen boven een fotoalbum. Dan wees ze naar een portret waar ik lachend opsta samen met mijn overleden broer. Af en toe pak ik die foto er nog wel eens bij. Ik kan me mijn broer niet herinneren, ik was te jong. Maar volgens mijn moeder was hij dol op me.

Mijn ouders deden er alles aan om mij een zo gezellig en normaal mogelijke jeugd te geven. De weekenden brachten we door met ponywedstrijden. Of we oefenden samen het wedstrijdparcours in het bos. Mijn moeder zat op een stoel met naast zich een koelbox met versgebakken broodjes. Mijn vader gaf me aanwijzingen. Ik was geen supertalent. Viel regelmatig op de grond. Het maakte mijn ouders niks uit. Ze zeiden altijd: opstaan, kleren recht trekken en weer gáán. Ze leerden me geloven in mezelf, maar vooral ook doorzetten.

‘Mijn moeder drukte me op het hart te genieten van het leven, ook als zij er niet meer was’



Sluier van mist
De drie musketiers, dat waren wij. We ondernamen leuke dingen, kampeerden in Frankrijk, wandelden urenlang door het bos met onze hond en deden spelletjes aan de keukentafel. Mijn vader was een introverte man, mijn moeder het tegenovergestelde. Ze was ook strenger dan mijn vader. Als dertienjarige mocht ik niet naar de kinderdisco in het dorp. Ze vond me te jong. Achteraf was ze waarschijnlijk gewoon bang dat mij iets overkwam. Overbezorgd. Toen vond ik het vervelend. Nu denk ik: logisch. Als je al een kind hebt verloren, houd je die ander het liefst 24 uur per dag bij je.

Op mijn zestiende kreeg mijn moeder borstkanker. Tegen mij zeiden m’n ouders lange tijd: het komt wel goed. Ik geloofde dat. Zelfs toen de kanker was uitgezaaid naar lever en longen, hield ik vast aan een goede afloop. Naïef. Het kwam niet goed. Het ging snel bergafwaarts met haar. In een aantal maanden tijd verslechterde haar gezondheid zo erg dat ze stopte met de chemokuur en in het ziekenhuis koos voor pijnmedicatie. Heel bewust hebben mijn vader en ik afscheid van haar genomen. Dat was emotioneel omdat ik wist: dit is het. Straks zie of spreek ik haar nooit meer. Mijn moeder drukte me op het hart vooral te genieten van het leven, ook als zij er niet meer was. Ik was verdrietig, maar ook opgelucht: mijn moeder hoefde niet meer te lijden. Ze had rust.

Na haar dood drong de impact van haar woorden ‘als ik er niet meer ben’ pas echt tot me door. Wat ze daarmee eigenlijk zei was: ‘Ik zal er straks niet meer zijn als je afstudeert, gaat samenwonen, gaat trouwen, zwanger bent.’ Samen met mijn vader pakte ik de draad weer op. Er hangt een sluier van mist over die periode. Ik denk omdat zowel mijn vader als ik niet goed wisten wat we met ons verdriet moesten. Samen erover praten, deden we nauwelijks. Daar waren we nog niet aan toe. We hielden eerder onze rug recht, voor elkaar. Doorgaan leek het gemakkelijkst. Dus ging ik weer naar school en mijn vader naar zijn werk. En ondertussen namen we het ervan. Ons nieuwe motto was: carpe diem.

We gingen samen een weekend naar Parijs, elke week wel een keer uiteten en probeerden het thuis gezellig te maken. Terugkijkend zijn we samen aardig door dat eerste jaar gerold. Tot die bewuste avond. Mijn vader had me nog een zoen gegeven voordat hij vertrok. Een paar uur later werd ik gebeld door de voorzitter van de carnavalsvereniging waar mijn vader muziek maakte. Hij was onwel geworden, had nog naar zijn hoofd gegrepen en was daarna in elkaar gezakt. In het ziekenhuis hadden ze het over een aneurysma, een verwijding van een bloedvat. Mijn vader werd geopereerd, maar toen de artsen hem wakker wilden maken, gebeurde er niets. Uiteindelijk is de beademing stopgezet en overleed hij. Ik bleef verbijsterd achter. Hoe kon dit nu? Was mijn ellende nog niet groot genoeg? Ik zat in een heel slechte B-film.

‘Ik klampte me vast aan mijn vriend. Was bang hem ook te verliezen’



Verdriet wegstoppen
Na de plotselinge dood van mijn vader zeiden mensen tegen me: stop toch even met school. Neem een jaartje vrijaf, kom bij van alles. Hoe zagen ze dat voor zich? Moest ik dan thuis gaan zitten wachten tot de muren op me zouden afkomen? Moest ik medelijden krijgen met mezelf? Daar wilde ik niet aan. Dus ging ik maar weer op standje ‘door’. Ik deed mijn eindexamen. Wie mijn cijferlijst uit die tijd bekijkt, gelooft niet dat ik net mijn ouders had verloren. Het ouderlijk huis werd te koop gezet. En ik besloot bij mijn oom, tante en nicht te gaan wonen. Zij stonden dicht bij me. Net als mijn toenmalige vriend, Alex.

Hij was een enorme steun voor me. Het was voor hem wellicht makkelijker geweest om weg te lopen van alles. Maar dat deed hij niet. Hij bleef. Vroeg zelfs of ik met hem wilde samenwonen. Vlak ná mijn eindexamen trok ik bij hem in. Ik klampte me helemaal aan hem vast, hij was alles voor me. Dat zorgde ervoor dat ik na verloop van tijd ook echt bang werd hem te verliezen. Nog een gemis zou ik niet meer trekken. Onbewust was ik bezig met de dood van mijn ouders. Ik probeerde het verdriet om hen zo diep mogelijk weg te stoppen, maar het kwam toch wel naar boven. Het zorgde er in elk geval voor dat ik veranderde.

Uit zelfbescherming ging ik me afsluiten voor mijn vriend. Ineens had ik geen enkele behoefte meer aan genegenheid of aanraking. Ik trok me terug, was allesbehalve gelukkig. Ik wilde weg uit de omgeving waar alles me herinnerde aan het verleden met mijn ouders. Daarom besloot ik op kamers te gaan in een andere stad en bestuurskunde te gaan studeren. Mijn relatie verbrak ik. Tegen mijn vriend zei ik dat ik niet de rest van mijn leven afhankelijk wilde zijn van één persoon. Wat ik toen beter had kunnen zeggen, is dat ik het niet aankon nóg meer mensen te verliezen. En dat ik me even aan niemand durfde te hechten.

‘Ik kijk met een goed gevoel terug op het verleden’



Opstaan en opnieuw proberen
In eerste instantie deed de nieuwe start me goed. Op de middelbare school was ik dat meisje dat haar beide ouders had verloren. Mensen keken me er vaak nieuwsgierig of vol medelijden aan. Hier kende niemand mijn familiegeschiedenis en dat hield ik de eerste tijd zo. Ik ging naar de kroeg met vrienden, studeerde, lachte, maar voelde er niets bij. Het was alsof het leven z’n glans had verloren. Het was kleurloos, monotoon.

Pas na een half jaar heb ik mijn beste vriendinnen verteld over mijn ouders. Na anderhalf jaar merkten zij dat het helemaal niet goed met me ging. Ik had nergens zin in, zat het liefst voor me uit te staren, was stoïcijns, voelde niks. Ik ben naar een psycholoog geweest en later naar een haptonoom. De psycholoog stelde me gerust door te zeggen dat dit mijn manier was om met de situatie om te gaan. De haptonoom leerde me contact maken met mijn gevoel. Hielp me met rouwen.

Door alles wat ik heb meegemaakt, had ik een muur om me heen gebouwd. Steen voor steen moest dat muurtje worden afgebroken. Het heeft lang geduurd voordat ik kon zeggen: ik ben weer gelukkig. Ik kan weer lachen, ik kan weer huilen. In die periode heb ik vaak moeten denken aan waar mijn ouders zo op hamerden als ik van mijn pony was gevallen: dat opstaan en opnieuw proberen, kwam me nu van pas. Het heeft me door deze moeilijke periode heen geholpen.

‘Iemand echt toe laten, vind ik moeilijk. Juist omdat ik degene kan kwijtraken’



Rugzak vol ervaringen
Na Alex heb ik geen lange relatie meer gehad. Daar stond ik ook niet echt voor open. Dat is nu, dertien jaar later, anders. Al is het voor mij nog altijd niet makkelijk iemand echt toe te laten. Juist omdat ik degene kan kwijtraken. Ik probeer me erbij neer te leggen dat dát nu eenmaal het leven is. Ik ben nu dertig, heb een goede baan, een leuk leven, veel vriendinnen en een warme familie.

Ik heb periodes gehad dat ik onrustig was en alleen maar wilde reizen. Ik dacht dat het me gelukkig maakte. Inmiddels weet ik dat je geluk niet samenhangt met de plek waar je bent. Geluk heeft veel meer te maken met hoe je in je vel zit en of dat wat je doet je blij maakt. Ik heb ontdekt dat ik graag schrijf. Het is een passie van me geworden. Over wat ik heb meegemaakt, schreef ik een roman (Bitterzoete herinneringen, red.). Mijn verhaal is misschien niet het verhaal dat mensen graag horen. Als ik het vertel, merk ik dat mensen vooral kijken naar wat ik niet meer heb. Begrijpelijk misschien, ik ben veel kwijtgeraakt. Toch kijk ikzelf vooral naar wat ik nog wél heb.

Ik put troost uit de herinneringen en de rugzak vol ervaringen die mijn ouders me hebben meegegeven. Ik heb geaccepteerd dat ik zonder hen verder leef. Wat je overkomt, daar heb je niet altijd grip op. Wat je wel zelf in de hand hebt, is of je een fijne tijd hebt met de dierbaren om je heen. In dat opzicht kijk ik met een goed gevoel terug op het verleden. Ik mis mijn ouders als ik het moeilijk heb. Maar ook op bijzondere momenten, zoals met kerst. Dit jaar vier ik kerst thuis op dezelfde manier zoals mijn ouders dat vroeger ook deden. Ik nodig familie uit, steek kaarsjes aan, kook en heb het vooral gezellig. Op die manier maak ik mijn eigen nieuwe herinneringen.”

Dit verhaal is eerder geplaatst in Glamour's decembernummer van 2014.